Terug naar startpagina

Alain Michon

De stille coup: de machtsgreep van de Europese Commissie

maandag 21 juli 2025 07:04

Door Thomas Fazi, september 2024.



Hieronder een longread, de vertaling van een langere tekst (een 40-tal bladzijden, bijna 12.000 woorden) die we al een tijd op het schap hadden liggen.
Deze tekst is gepubliceerd door de Hongaarse rechts-conservatieve denktank MCC (Mathias Corvinus Collegium). Ook al bevindt MCC zich aan een kant van het politieke spectrum die de doorsnee DWM-lezer misschien minder zal bevallen, toch doet dat geen afbreuk aan de kwaliteit en de opzienbarendheid van onderstaande studie.

Op de homepage van MCC is heel wat interessante lektuur te vinden, waarin de EU en haar propagandamachine onder de loep genomen worden.
Hier een bloemlezing van wat we er vandaag zoal zien staan:

Onderstaande tekst werd hier gepubliceerd op brussels.mcc.hu. Deze pagina bevat de samenvatting die je hieronder ook kan lezen, en verder de link naar deze studie in PDF-formaat, uitsluitend in het engels.

Wie de 86 voetnoten wil consulteren, gelieve het pdf-document te downloaden en naast huidige tekst te leggen.

 

De stille coup. De machtsgreep van de Europese Commissie

Thomas Fazi, september 2024

Europa zal in crises worden gesmeed en zal de som zijn van de oplossingen die voor die crises worden gekozen.
Jean Monnet(1)

Het ultieme geheim van de constructie van Europa [ligt in een opeenvolging van] briljante staatsgrepen.
Perry Anderson(2)

Inhoud

Samenvatting

 

Inleiding

Na de recente Europese verkiezingen hoopten velen dat de toenemende steun voor ‘rechts-populistische’ eurosceptische partijen op zijn minst een einde zou maken aan de heerschappij van Ursula von der Leyen. Haar eerste termijn als voorzitter van de Europese Commissie werd gekenmerkt door controverse en lage populariteit, zowel onder EU-burgers als onder ambtenaren, vanwege haar top-down, centraliserende aanpak, haar minachting voor officiële EU-protocollen en haar omarming van zeer controversieel beleid, met name door de Europese Green Deal.

In plaats daarvan, in een merkwaardige speling van het lot, is het juist de ‘rechtse dreiging’ die von der Leyen's herverkiezingscampagne de impuls gaf die ze anders ontbeerde. Door zichzelf te presenteren als een bolwerk tegen ‘demagogen en extremisten’(3) wist ze steun te verwerven van zowel mainstream- als pro-EU-regeringen en Europarlementariërs. Ondanks hun bedenkingen over von der Leyen en haar staat van dienst, zagen velen weinig andere keus dan haar opnieuw te kronen met het overduidelijke doel om de supranationale bevoegdheden van de Commissie in te zetten tegen hun eigen ‘populistische’ tegenstanders – in de eerste plaats de Hongaarse premier Viktor Orbán – en zelfs tegen hun eigen electoraat.

Deze ‘rechtse dreiging’ is niet de eerste keer dat de Commissie, vooral onder von der Leyen, handig gebruik heeft gemaakt van een crisis – echt, waargenomen of als zodanig afgeschilderd door de dominante krachten in de EU – om haar macht en invloed in de hele Europese Unie te vergroten, vaak in alliantie met pro-EU krachten op nationaal niveau.

Als er een rode draad is die de verschillende crises die Europa de afgelopen vijftien jaar hebben getroffen – de staatsschuldencrisis, de vluchtelingencrisis, de Brexit-stemming, de Covid-19-pandemie, de oorlog in Oekraïne, enzovoort – verbindt, dan is het wel het feit dat elke crisis steevast heeft geleid tot een toenemende supranationalisering en ‘commissionisering’ van het besluitvormingsproces van de EU.

De Commissie heeft de reikwijdte van haar uitvoerende macht op vrijwel elk gebied uitgebreid, waaronder veel gebieden die voorheen exclusief voorbehouden waren aan de EU-lidstaten en waarover de Commissie geen formele bevoegdheid heeft – van fiscaal en monetair beleid tot volksgezondheid, van buitenlands beleid tot defensie- en veiligheidszaken. En onder von der Leyen zijn deze bevoegdheden uitgebreid tot een ongekende omvang, wat heeft geleid tot een bijna “Amerikaanse presidentiële invulling van de uitvoerende macht”, zoals Politico schreef,(4) en von der Leyen de bijnaam ‘Koningin Ursula’ in Brussel opleverde.

Deze ingrijpende overdracht van soevereiniteit van nationaal naar supranationaal niveau, ten koste van democratische controle en verantwoording, heeft grotendeels heimelijk plaatsgevonden, via verschillende vormen van ‘competentiekruip’(5), zonder formele verdragswijzigingen en buiten de arena van democratisch debat. Dit heeft ertoe geleid dat wetenschappers het proces van Europese supranationale integratie omschrijven als een proces van ‘sluipende integratie’(6) of ‘verborgen integratie’(7), wat betekent dat het een proces is dat plaatsvindt buiten de formele Europese politieke besluitvormingsarena en leidt tot een “competentieopbouw door verkapt beleidsondernemerschap door de Europese Commissie”.(8) Sommigen hebben dit proces zelfs een ‘competentiecoup’ genoemd.(9) De politieke filosoof Perry Anderson ging zelfs zo ver dat hij “de coup” – dat wil zeggen “een plotselinge, heimelijke actie, waarbij de slachtoffers onaangekondigd worden verrast en geconfronteerd met een voldongen feit dat niet meer ongedaan kan worden gemaakt” – omschreef als “het ultieme geheim van de constructie van Europa, de sleutel tot het begrijpen van het succes ervan”.(10)

Dit rapport onderzoekt de belangrijkste historische keerpunten in dit proces en beschrijft gedetailleerd de overgang van de Commissie van een technisch orgaan naar een volwaardige politieke actor. Het onderzoekt hoe de verschillende crises van de afgelopen vijftien jaar dit proces hebben versneld, met bijzondere aandacht voor de eerste presidentiële ambtstermijn van von der Leyen en de manier waarop zij de Covid-19- en Oekraïne-crisis gebruikte om via een reeks ‘stille staatsgrepen’ een sluipende overdracht van bevoegdheden van nationaal naar supranationaal niveau te bewerkstelligen. Het onderzoekt verder de machtsverschuiving tussen de Commissie en de Europese Raad, en hoe paradoxaal dit proces vaak door de lidstaten zelf is bevorderd, ten koste van hun eigen soevereiniteit. Ten slotte wordt bezorgdheid geuit over de uitholling van de nationale soevereiniteit en de democratische verantwoordingsplicht die dit proces met zich mee heeft gebracht.

 

1 Wie bestuurt de EU?

Vraag tien verschillende experts wie er echt de leiding heeft in de Europese Unie en je krijgt waarschijnlijk tien verschillende antwoorden. Zoals Henry Kissinger 50 jaar geleden beroemd (maar apocrief) vroeg: “Wie moet ik bellen als ik Europa wil bellen?”

Dit komt door de verbijsterend complexe institutionele architectuur van het blok: een systeem met variabele geometrie, meerdere niveaus en onderlinge verbanden, met supranationale elementen (de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank (ECB) en het Europees Hof van Justitie), quasi-federale elementen (het Europees Parlement (EP)) en interstatelijke of intergouvernementele elementen (de Europese Raad en de Raad van Ministers), naast diverse andere ‘technische’ organen, suborganen en interinstitutionele diensten. Al deze elementen worden op hun beurt vormgegeven door een feitelijke hiërarchie van landen, waarbij Duitsland en Frankrijk historisch gezien de meeste invloed hebben.

We hebben dus te maken met een ‘parastatale superstructuur’(11) die opereert op meerdere vlakken – lokaal, nationaal, internationaal en supranationaal – in overeenstemming met een steeds uitdeinend en voortdurend groeiend rechtsstelsel: het zogenaamde acquis communautaire, bestaande uit meer dan 100.000 documenten, waarin onder andere de bevoegdheden van de verschillende organen en instellingen zijn vastgelegd.

Gezien de Byzantijnse aard van de institutionele structuur van de EU is het niet verwonderlijk dat geleerden al sinds de oprichting van de EU (naar academische maatstaven zeer verhit) debatteren over de vraag wie nu echt de lakens uitdeelt in de EU, terwijl de meeste mensen zich gewoon achter de oren krabben. Eén ding weten we zeker: de burgers zijn niet degenen die de macht hebben. Sterker nog, één ding dat de verschillende componenten van de EU-matrix gemeen hebben, is dat ze allemaal ontworpen lijken om democratische politiek op de een of andere manier te ondermijnen. Dus, wie heeft de macht?

De officiële ‘voor dummies’-versie van het EU-besluitvormingsproces luidt dat de Europese Raad, bestaande uit de leiders van de lidstaten, het ‘politieke’ orgaan is dat belast is met het bepalen van de algemene beleidsagenda van de EU, terwijl de Commissie het ‘technische’ orgaan is dat belast is met het opstellen van wetgeving en de praktische uitvoering van beleid, in samenwerking met het Europees Parlement. Zelfs in wetenschappelijke kringen is het al lang de gangbare opvatting dat de Europese Raad de plek is waar de grote agendabepalende beslissingen worden genomen op basis van ‘harde onderhandelingen’ tussen lidstaten, vooral in tijden van crisis. Andere EU-organen, waaronder de Europese Commissie, werd over het algemeen een secundaire en grotendeels ondergeschikte rol toegeschreven.

De afgelopen jaren is deze visie op de Europese Raad als het machtscentrum bij uitstek echter steeds meer onhoudbaar geworden. De transformatie van de Commissie tot een volwaardige politieke actor heeft de institutionele machtsverhoudingen van de EU aanzienlijk – en onomkeerbaar? – doen kantelen. Maar in werkelijkheid waren de zaken nooit zo eenvoudig als de officiële taxonomie van de macht binnen de EU suggereert.

 

2 De beginjaren

De Europese Commissie, oorspronkelijk opgericht als Hoge Autoriteit binnen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), was bedoeld als een supranationaal orgaan met aanzienlijke autonomie. Door het Verdrag van Rome van 1957, waarmee de Europese Economische Gemeenschap (EEG) werd opgericht, die later uitgroeide tot de Europese Unie, kreeg de Commissie de exclusieve bevoegdheid om wetgeving te initiëren en EU-beleid uit te voeren.

Dit gaf haar een centrale en dominante positie binnen het institutionele kader van de EEG. De Europese Raad werd pas in 1974 opgericht, deels als reactie op de behoefte aan sterkere politieke sturing en coördinatie op het hoogste niveau, wat de Commissie alleen niet kon bieden. Toch bleef de Raad jarenlang weinig meer dan een informeel forum waar de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten elkaar ontmoetten en brede strategische kwesties bespraken. De Raad had geen formele institutionele rol binnen het EEG-kader.

Dit gaf de Commissie ruime armslag. In de jaren tachtig speelde de Commissie van Jacques Delors bijvoorbeeld een sleutelrol bij de totstandkoming van de interne markt en het leggen van de basis voor de monetaire unie, wat het proces van Europese supranationale integratie een impuls gaf die in het voorgaande decennium ontbrak.(12) Dit leidde tot een rijk corpus aan onderzoekswerk dat de Commissie afschilderde als een supranationale instelling die onafhankelijk van de lidstaten opereerde en haar eigen agenda volgde.

In de loop der tijd, toen de EEG zich ontwikkelde tot de Europese Unie die we vandaag de dag kennen via opeenvolgende Akten en Verdragen – de Europese Akte (1986), het Verdrag van Maastricht (1992), het Verdrag van Nice (2001) en het Verdrag van Lissabon (2007) – werd de rol van de Europese Raad geleidelijk versterkt en uitgebreid. Dit markeerde een verschuiving naar een grotere betrokkenheid van nationale regeringen (via de Raad) en van het Europees Parlement bij het besluitvormingsproces van de EU, waarbij een evenwicht werd gezocht met de supranationale macht van de Commissie. Met name het Verdrag van Lissabon formaliseerde de Europese Raad als een volwaardige EU-instelling, belast met het geven van “de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de EU” en het bepalen van haar “algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten”.

Gedurende deze periode is de Commissie, met behoud van haar uitvoerende bevoegdheden, meer op één lijn komen te staan met de politieke prioriteiten van de Raad. Toch bleef de Commissie, als enige EU-orgaan met het recht om wetgeving te initiëren, een aanzienlijke invloed uitoefenen – wellicht groter dan veel wetenschappelijke literatuur geneigd is te erkennen – vooral gezien de ‘volledige onafhankelijkheid’ ten opzichte van regeringen en andere EU-instellingen die haar door de EU-verdragen wordt verleend. Bovendien wordt de Commissie, in tegenstelling tot nationale regeringen, niet rechtstreeks gekozen door de burgers van de EU. Haar leden worden benoemd, en hoewel het Europees Parlement een rol speelt bij de goedkeuring van de voorzitter van de Commissie, is dit proces grotendeels onttrokken aan directe democratische controle.

Het Verdrag van Lissabon markeerde de laatste grote formele wijziging in de institutionele architectuur van de EU. De machtsdynamiek binnen en tussen de EU-instellingen onderging de afgelopen anderhalf decennium echter een proces van voortdurende herstructurering. In die 15 jaar werd Europa opgeschrikt door een reeks economische, politieke en geopolitieke crises – zozeer zelfs dat het nu gemeengoed is geworden onder wetenschappers om te spreken van een toestand van ‘permacrisis’. Gedurende deze periode is de slinger van macht, leiderschap en agentschap vaak heen en weer gegaan tussen de Raad en de Commissie (en andere instellingen, met name de ECB). Jean Monnet, een van de architecten van het Europese integratieproces, schreef ooit: “Europa zal in crises worden gesmeed en zal de som zijn van de oplossingen die voor die crises worden gekozen”, en de afgelopen 15 jaar hebben hem gelijk gegeven.

 

3 De eurocrisis: een staatsgreep in de 21e eeuw

Tijdens de eurocrisis of staatsschuldencrisis (2009-2012), de vluchtelingencrisis (2015-2016) en de Brexit-stemming (2016) kwam de Europese Raad naar voren als een steeds centralere, dominante speler, die de agendabepalende rol van de Commissie deels verdrong. De meeste wetenschappers zijn het erover eens dat dit een tijd was waarin intergouvernementaliteit voorrang kreeg boven supranationalisme, mede dankzij de dominante rol die Duitsland speelde onder bondskanselier Angela Merkel en de consolidatie van het Frans-Duitse blok.

Dit standpunt gaat echter voorbij aan het feit dat de eurocrisis in het bijzonder ook heeft geleid tot een dramatische versterking van de supranationale instellingen van de EU. De ECB en de Commissie zelf kregen ongekende bevoegdheden om in te grijpen in de economische aangelegenheden van de lidstaten, bijvoorbeeld via de trojka van de Europese Commissie, de ECB en het IMF, wat leidde tot een ingrijpende overdracht van soevereiniteit van nationaal naar supranationaal niveau. Deze bevoegdheden werden vervolgens geïnstitutionaliseerd en geconstitutionaliseerd via een complex systeem van nieuwe wetten, regels, overeenkomsten, organisaties (zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM)) en zelfs een verdrag – het Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de Economische en Monetaire Unie, algemeen bekend als het Begrotingspact – gericht op het afdwingen van een permanent regime van bezuinigingen.

Het Begrotingspact introduceerde de verplichting voor lidstaten om hun begrotingen ter voorafgaande goedkeuring voor te leggen aan de Europese Commissie en de Raad. Als de begroting niet in overeenstemming wordt geacht met de verplichtingen van de EU, kunnen de Commissie en andere lidstaten corrigerende ‘aanbevelingen’ doen aan de eigenzinnige lidstaat. Als een lidstaat de parameters van het Verdrag van Maastricht overschrijdt, kan de Commissie besluiten het land in een ‘excessive deficit procedure’ (EDP) of ‘buitensporigtekortprocedure’ te plaatsen, in welk geval een nog strenger systeem van monitoring en toezicht in werking treedt.

Als gevolg hiervan werd de Europese Unie, voornamelijk via de Europese Commissie, in feite een soevereine macht met de bevoegdheid om begrotingsregels en structurele hervormingen op te leggen aan lidstaten, met name die van de eurozone, buiten democratische procedures en zonder democratische controle.(13) Een maatschappelijke organisatie beschreef dit als “een neoliberale regimewisseling – een burgerlijke staatsgreep”.(14) Veel van deze veranderingen vonden plaats in opdracht van Duitsland, dat de Europese instellingen maar al te graag “onbeperkte uitvoerende macht”(15) gaf om de zwakkere staten van het blok te controleren en ervoor te zorgen dat zij zich aan het door Berlijn geïnspireerde economische kader hielden.

Hierdoor wordt het zeer duidelijk hoe men, om de machtsdynamiek in de EU te begrijpen, verder moet kijken dan de simplistische nationaal-supranationale dichotomie. Nationale en supranationale elites in de Europese Unie staan verre van in een uniek antagonistische relatie, maar neigen er vaak toe om de verschillende nationale, intergouvernementele en supranationale niveaus van het systeem holistisch in te zetten om elkaar wederzijds te ondersteunen. Ze spannen zelfs samen tegen gemeenschappelijke vijanden, die zich doorgaans voordoen als democratische of ‘populistische’ opstanden. In wetenschappelijke termen heeft dit geleid tot een rijke literatuur over het ‘gebruik van Europa’ – dat wil zeggen, hoe de EU wordt geïnstrumentaliseerd door nationale politieke actoren.(16)

Een dergelijke dynamiek is vaak moeilijk te doorgronden, vooral omdat de institutionele machtsverdeling tussen de Raad en de Commissie in de loop der tijd steeds vager is geworden. Dit heeft ertoe geleid dat één wetenschapper heeft geconcludeerd dat “buiten het opstellen en vormgeven van harde wetgeving, waar beleidsideeën en -initiatieven ”eigenlijk vandaan komen“ een lastige vraag is, één die misschien niet altijd volledig kan worden opgelost”:

Er zijn veel eigenaren van een idee, vooral wanneer het succesvol is, en het is vaak moeilijk in te schatten wie de enige bedenker was en wie het op de politieke agenda heeft gezet. Hiermee samenhangend is een andere vraag: de agendabepaling van wat? Brede ideeën? Precieze beleidsvoorstellen? Dit zijn eeuwige, maar onopgeloste vragen voor het bestuderen van agendabepaling, die vaak tot verschillende aandachtspunten en conclusies leiden. Ze maken agendabepaling tot een ongrijpbaar onderwerp, open voor een veelheid aan actoren, ketens van causaliteit en concurrerende verhalen.(17)

Het punt is dat de relatie tussen de Commissie, de Raad (en dus de lidstaten) en andere organen wordt gekenmerkt door zowel interinstitutionele strijd om politieke macht als door wederzijdse afhankelijkheid, afhankelijk van de omstandigheden. Een voorbeeld van wederzijdse afhankelijkheid is bijvoorbeeld de manier waarop de Commissie het uitgebreide mechanisme en de aanzienlijke technische en politieke expertise van de instelling gebruikt om de ontwikkelingen binnen de Europese Raad te sturen en de basis te leggen voor vrijwel alle grote projecten, terwijl de Commissie op haar beurt de goedkeuring van de Europese Raad zoekt voor nationale steun, legitimiteit en impulsen voor dergelijke projecten.(18)

Een voorbeeld van interinstitutionele strijd daarentegen was de poging tot invoering van de Spitzenkandidat-procedure, die voor het eerst in 2014 werd ingevoerd. Vóór de Europese verkiezingen nomineerde elke grote politieke fractie in het Europees Parlement haar kandidaat voor de functie van Commissievoorzitter, en de kandidaat van de fractie met de meeste zetels werd automatisch voorzitter. Dit kan worden gezien als een poging van het Europees Parlement om de Europese Commissie verder te politiseren – of zelfs, in zeer beperkte mate, te democratiseren – hoewel het systeem in de praktijk nooit van de grond is gekomen.

De steeds actievere rol van de Europese Commissie werd verder benadrukt tijdens het voorzitterschap van Jean-Claude Juncker (2014-2019). Juncker was de eerste voorzitter van de Commissie die de ‘technische’ rol van de Commissie expliciet ter discussie stelde. In een beroemde toespraak in het Europees Parlement op 15 juli 2015 stelde hij:

De Europese Raad draagt de voorzitter van de Commissie voor. Dat betekent niet dat hij het secretariaat ervan is. De Commissie is geen technisch comité, bestaande uit ambtenaren die de instructies van een andere instelling uitvoeren. De Commissie is politiek. En ik wil dat ze politieker wordt. Sterker nog, ze zal zeer politiek zijn.(19)

Dit waren niet zomaar woorden. Zoals Ákos Bence Gát schreef in een recent rapport van de MCC Brussels:

Juncker gaf hoge prioriteit aan het thema rechtsstaat, dat een instrument werd om toezicht te houden op en commentaar te leveren op de nationale politiek van de lidstaten. Door stelling te nemen in nationale partijpolitieke debatten in lidstaten zoals Hongarije en Polen kon de Commissie haar eigen politieke agenda met betrekking tot ideologische kwesties verduidelijken. Door steeds openlijker politieke gevechten met sommige lidstaten aan te gaan en steeds meer politieke druk op hen uit te oefenen, kon de Commissie haar politieke spierballen laten zien… [D]e Commissie-Juncker was de eerste die expliciet probeerde lidstaten te controleren in naam van de rechtsstaat.(20)

Maar de meer ‘proactieve’ – en expliciet politieke – aanpak van de Commissie-Juncker beperkte zich niet tot de rechtsstaat. Deze strekte zich uit tot gebieden die tot dan toe werden beschouwd als belichaming van het post-Maastricht intergouvernementeel beleid – zoals buitenlands beleid, veiligheid en de economische en monetaire unie – en nam vaak belangrijke maatregelen onafhankelijk van de Europese Raad.

Eerder dit jaar gaf Juncker in een interview met de Italiaanse financiële krant Il Sole 24 Ore zelfs toe dat hij achter de rug van Italiaanse regeringen waarmee hij problemen had, deals had gesloten door in het geheim (‘zonder al te veel publiciteit’) te onderhandelen met de president van het land – die volgens de Italiaanse grondwet niet bevoegd is om met buitenlandse mogendheden te onderhandelen, laat staan om samen te spannen tegen een gekozen regering.(21) Juncker had eerder gezegd dat hij “in de verleiding was gekomen” om in te grijpen in de politieke crisis van Italië in 2016 – maar beweerde dat hij daarvan had afgezien.(22)

 

4 De Commissie-von der Leyen: Laat een goede crisis nooit verloren gaan

De evolutie van de Commissie tot een volwaardige politieke actor is dus al jaren een trend. Maar dit proces heeft een snelle en substantiële versnelling en intensivering gekend onder het eerste voorzitterschap van Ursula von der Leyen (2019-2024). Het is in dit opzicht veelzeggend dat von der Leyens aanstelling een stille staatsgreep was. Zoals opgemerkt, werd het Spitzenkandidatsysteem in 2014 ingevoerd in een poging om de benoeming van de Commissievoorzitter onafhankelijk te maken van de Europese Raad, waarbij de politieke fractie met de meeste stemmen bij de Europese Parlementsverkiezingen het ambt voor haar vooraf gekozen kandidaat zou binnenrijven.

Maar in 2019 was von der Leyen niet de Spitzenkandidat van haar Europese Volkspartij (EVP). In plaats daarvan werd ze achter gesloten deuren gekozen door Angela Merkel en Emmanuel Macron, ondanks het feit dat ze zich niet eens kandidaat had gesteld en dat de centrumrechtse EVP- en de centrumlinkse Socialisten en Democraten (S&D)-fracties al twee kandidaten hadden voorgedragen. Dit kan worden gezien als een succesvolle poging van de Europese Raad en de belangrijkste lidstaten om hun dominantie over de Commissie (en het Parlement) te bevestigen.

 

4.1 De Covid-19-crisis: een pandemie van corruptie en ondoorzichtigheid

De Covid-19-crisis die kort daarna uitbrak, zou echter opnieuw de rollen omdraaien: de interinstitutionele machtsverhoudingen zouden beslissend in het voordeel van de Commissie doorslaan, de rol van de Raad in meerdere opzichten degraderen en een historische verschuiving in de Europese integratie teweegbrengen. De Commissie speelde een leidende rol gedurende de pandemie – eerst bij het opstellen van het economisch herstelprogramma en vervolgens bij het organiseren van de gezamenlijke inkoop van vaccins. Zoals een studie het stelde:

Gedurende de crisis […] kwam de Europese Raad zelden met eigen oplossingen. In plaats daarvan steunde hij acties en voorstellen die al door de Commissie waren gedaan […] De leidende rol die de Commissie speelde, kan deels worden verklaard doordat de crisis ontstond op gebieden waar de Commissie belangrijke taken heeft [d.w.z. volksgezondheid] en deels doordat Commissievoorzitter Ursula von der Leyen vanaf het begin het leiderschap en de verantwoordelijkheid van de Commissie benadrukte.(23)

De Europese Commissie nam vanaf het begin een leidende rol op zich en schetste een uitgebreide agenda voor de reactie van de EU. Al snel volgde een stortvloed aan wetgevingsmaatregelen: in december 2021 had het blok meer dan 1000 wetten aangenomen. In de beginfase van de crisis concentreerde de Commissie zich op de economische respons. Ten eerste schortte ze de beruchte, strenge begrotingsregels van de EU op om regeringen in staat te stellen hun uitgaven te verhogen (leningen aan te gaan) om de economische gevolgen van de pandemie te verzachten. Vervolgens presenteerde von der Leyen in mei 2020 het Next Generation EU-pakket (NGEU), haar plan voor een herstelfonds van 750 miljard euro om lidstaten te ondersteunen, via een combinatie van subsidies en leningen, als aanvulling op de monetaire reactie van de ECB op de pandemieschok. Belangrijk is dat de Europese Commissie voor het eerst zelf door een specifieke verordening de bevoegdheid kreeg om geld op te halen op de financiële markten.

Dit was de eerste keer dat de EU op zo'n grote schaal een gezamenlijke lening (of schuldmutualisatie) aanging, ondersteund door de EU-begroting. Hoewel relatief onbeduidend in macro-economische termen – goed voor amper vijf procent van het bbp van de EU, te besteden over een periode van zes jaar – heeft het programma belangrijke politieke implicaties. Hoewel het waar is dat de EU-Verdragen de EU niet expliciet verbieden om haar begroting te financieren met algemeen opgenomen schulden,(24) was dit lange tijd een taboe voor verschillende lidstaten, vooral Duitsland, dat de Commissie wist te overwinnen onder het mom van ‘reageren op de Covid-19 crisis’. Dit was wederom een truc van von der Leyen, die ze wist uit te voeren door de details van het plan tot het laatste moment verborgen te houden. Veelzeggend is dat toen von der Leyen het idee in april voor het eerst aan de EU-leiders presenteerde, Angela Merkel haar nadrukkelijk vermaande: “Vergeet niet eerst met ons te praten.”(25)

Door de Commissie een sterke inspraak te geven over de uitbetalingen (in termen van voorwaarden, prioriteiten, enz.), versterkte het besluit bovendien de invloed van de Commissie op kerngebieden van het nationale economische en fiscale beleid – en gaf het haar een extra instrument om financiële druk op de lidstaten uit te oefenen. Het was verre van een voorbeeld van ‘Europese solidariteit’, maar in wezen een nieuwe stille staatsgreep.

Dit werd begin 2021 duidelijk toen de Commissie voor het eerst een conditionaliteitsverordening inzake de rechtsstaat aannam, waardoor zij de betaling van EU-middelen aan lidstaten die de rechtsstaat (zoals gedefinieerd door Brussel, uiteraard) schenden, kon inhouden. Vervolgens gebruikte zij de nieuwe verordening om ongeveer 140 miljard euro aan EU-betalingen aan Polen en Hongarije in te houden, zowel uit de reguliere begroting als uit het noodherstelfonds Next Generation EU.

Dit onthulde wat de conditionaliteitsverordening voor de rechtsstaat en het NGEU-fonds werkelijk zijn: nóg meer instrumenten voor de Commissie om via financiële middelen politieke druk uit te oefenen op nationale regeringen – instrumenten waarvan von der Leyen liet zien dat ze er niet voor terugdeinsde om ze te gebruiken. Dat gaf ze zelf ook toe. In de aanloop naar de Italiaanse verkiezingscampagne van 2022, toen haar gevraagd werd of ze zich zorgen maakte over de mogelijke resultaten die Georgia Meloni's rechtse Fratelli d'Italia zouden halen, antwoordde ze: “Als de zaken ‘een moeilijke kant opgaan’, hebben we instrumenten [om met de situatie om te gaan].” (“…we have the tools…”)(26)

De vraag is echter altijd: in hoeverre worden deze beslissingen autonoom door de Commissie genomen en in hoeverre zijn ze afhankelijk van druk van andere partijen – de Europese Raad, individuele regeringen, het Europees Parlement? Zoals hierboven opgemerkt, kan dat moeilijk te zeggen zijn, juist omdat de opzettelijk ondoorzichtige en ingewikkelde aard van de meerlagige bestuursstructuur van de EU betekent dat politieke beslissingen vaak het resultaat zijn van meerdere interinstitutionele interacties en druk die vaak aan het oog van het publiek onttrokken worden. Dit maakt het moeilijk om de exacte oorzaken en inputs te achterhalen die tot bepaalde historische resultaten leiden.

In de tweede fase van de COVID-19-crisis nam de Europese Commissie – of beter gezegd, von der Leyen zelf – opnieuw het voortouw in het eigenhandig promoten van een omvangrijk gezamenlijk vaccininkoopprogramma voor de hele EU. Net als in de vorige fase volgde de Europese Raad grotendeels het initiatief van de Commissie in plaats van eigen voorstellen te doen. In november 2021 had de Commissie namens de lidstaten maar liefst 71 miljard euro aan contracten getekend voor de aankoop van wel 4,6 miljard doses vaccin – meer dan 10 doses per Europese burger.(27) De meeste van deze contracten waren voorafgaande koopovereenkomsten (‘advance purchase agreements’, APA's) die achter gesloten deuren werden ondertekend door de bedrijven en de Europese Commissie, waarbij voorafbetalingen aan de vaccinfabrikanten werden verricht om de ontwikkeling en opschaling van de productiecapaciteit te financieren.

Tot overmaat van ramp bleek, nogal verbazingwekkend, dat von der Leyen in april 2021 persoonlijk een deal van 35 miljard euro had onderhandeld voor de aankoop van maximaal 1,8 miljard doses van het Pfizer-BioNTech-vaccin via een reeks sms-berichten en telefoongesprekken met Pfizer-CEO Albert Bourla.(28) Sindsdien is ‘Pfizergate’ uitgegroeid tot een van de grootste schandalen in de geschiedenis van de EU. Toen een Duitse journalist de Commissie schreef met het verzoek om toegang tot de sms-berichten en andere documenten met betrekking tot de uitwisseling tussen von der Leyen en Bourla, beweerde de Commissie dat dergelijke documenten niet bestonden.(29)

Daarop diende de journalist een formele klacht in bij de Europese Ombudsman, Emily O’Reilly. In januari 2022 publiceerde de Ombudsman de resultaten van haar onderzoek, waaruit bleek dat de Commissie het kantoor van von der Leyen niet eens had gevraagd om te zoeken naar sms-berichten, ondanks dat de journalist hier specifiek om had gevraagd.(30) In plaats daarvan vroeg de commissie naar items die voldeden aan de criteria van de Commissie voor opgeslagen ‘documenten’ – een definitie die geen sms-berichten omvat. Om dit aan te pakken, deed O’Reilly de aanbeveling dat de Commissie het kantoor van von der Leyen zou vragen opnieuw te zoeken naar relevante sms-berichten, maar de Commissie weigerde hieraan te voldoen.

De EU-commissaris voor waarden en transparantie, Věra Jourová, beweerde later, zonder ironie, dat de tekstberichten mogelijk waren gewist vanwege hun “kortstondige, vluchtige aard” en verdedigde het recht van de Commissie om geen gegevens over de teksten bij te houden, gezien het feit dat “tekst- en instant messages in het algemeen geen belangrijke informatie bevatten met betrekking tot het beleid, de activiteiten en de besluiten van de Commissie, noch in het bezit zijn van de instelling”.(31)

Na verloop van tijd raakten andere EU-instanties erbij betrokken, waaronder de Europese Rekenkamer, maar de afscherming bleef aanhouden. Dit was voor het Europees Openbaar Ministerie (EOM / EPPO), een onafhankelijk EU-orgaan dat verantwoordelijk is voor het onderzoeken en vervolgen van financiële misdrijven, waaronder fraude, witwassen en corruptie, aanleiding om een – nog steeds lopend – onderzoek te starten naar het gehele EU-inkoopproces voor Covid-vaccins.(32)

Bovendien bleven de vaccincontracten zelf – niet alleen met Pfizer-BioNTech, maar ook met de andere farmaceutische bedrijven – lange tijd geheim. De Europese Commissie heeft verzoeken van leden van het Europees Parlement (EP-leden) om toegang tot de documenten afgewezen en diverse verzoeken om openbaarmaking van informatie (FOIA / WOB) afgewezen.(33) Uit de correspondentie tussen de Commissie en de belangenorganisatie Corporate Europe Observatory bleek dat de afwijzing was ingegeven door commerciële vertrouwelijkheid en dat er, verbazingwekkend genoeg, geen sprake was van “een hoger openbaar belang bij transparantie”.(34)

De Europese Ombudsman heeft zelfs een onderzoek ingesteld naar de weigering van de Commissie om het publiek toegang te verlenen tot documenten met betrekking tot de aankoop van de vaccins. De Commissie stond uiteindelijk geselecteerde Europarlementariërs toe om een zwaar geredigeerde versie van het 60 pagina's tellende contract met het biofarmaceutische bedrijf CureVac (waarvan het vaccin de testfase nooit heeft overleefd) 45 minuten in een leeszaal te raadplegen, onder strikte voorwaarden en na ondertekening van een geheimhoudingsovereenkomst.(35)

Na maandenlange druk vanuit het maatschappelijk middenveld, Europarlementariërs en de Europese Ombudsman stemde de Europese Commissie ermee in om enkele zwaar geredigeerde versies van de contracten openbaar te maken – zo zwaar geredigeerd “dat de openbaarmaking ervan vrijwel geen enkele betekenisvolle transparantie opleverde”, zoals een vertegenwoordiger van Corporate Europe Observatory het verwoordde.(36) Zoals de New York Times opmerkte: “Overheden hebben miljarden dollars gestoken in het helpen van farmaceutische bedrijven bij de ontwikkeling van vaccins en geven miljarden meer uit aan de aankoop van doses. Maar de details van die deals blijven grotendeels geheim, waarbij overheden en volksgezondheidsorganisaties toegeven aan de vragen van farmaceutische bedrijven om geheimhouding.”(37)

De leden van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie hebben toen een rechtszaak aangespannen(38) over de weigering van de Commissie om volledige toegang te verlenen tot de contracten. Het Gerecht van de EU handhaafde deze vordering onlangs en oordeelde dat “de Commissie het publiek onvoldoende toegang had verleend tot de koopovereenkomsten voor Covid-19-vaccins”.(39) Meer specifiek “betreft die inbreuk de bepalingen over schadeloosstelling in die overeenkomsten en de verklaringen dat er geen sprake was van een belangenconflict van de leden van het team dat de aankoop van de vaccins onderhandelde”, aldus het arrest van het Hof in Luxemburg.

Ondanks de vele weglatingen toonden de APA's niettemin aan dat de Europese Commissie in wezen miljarden had weggegeven aan de farmaceutische bedrijven zonder voorwaarden, waardoor de investeringen van de bedrijven volledig risicovrij waren. Wat betreft de vraag wie bijvoorbeeld de intellectuele eigendom (IP) zou bezitten, waren alle afspraken duidelijk: de IP, inclusief knowhow en data, zou in handen van de bedrijven blijven. Ook werd duidelijk dat de Commissie vrijwaringsclausules had opgenomen in de vooruitkoopovereenkomsten met de vaccinproducenten. “De Commissie of de lidstaten zouden de bedrijven in wezen vrijwaren tegen de kosten van juridische procedures die volgden op [vaccingerelateerde] claims”, aldus Sue Middleton, voorzitter van de raad van bestuur van Vaccines Europe, de organisatie die de grote vaccinproducenten vertegenwoordigt.(40)

Zelfs het belangrijkste argument dat von der Leyen gebruikte om de gezamenlijke aanbesteding te rechtvaardigen – dat de Commissie door namens alle lidstaten te onderhandelen een lagere prijs van vaccinproducenten zou kunnen krijgen – bleek ongegrond. In september 2020 beloofde de belangrijkste vaccinonderhandelaar van de Europese Commissie dat de doses tussen de 5 en 15 euro zouden kosten.(41)We kunnen niet boven bepaalde grenzen gaan, omdat het niet betaalbaar zou zijn”, vertelde ze aan de Gezondheidscommissie.

Later werd onthuld dat de EU in feite tot wel 20 en 25 euro per dosis had betaald voor respectievelijk de vaccins van Pfizer-BioNTech en Moderna(42) – de twee meest gebruikte vaccins – vergeleken met de prijs per dosis van 2,90 euro voor het AstraZeneca-vaccin(43) (dat later aan de kant werd geschoven na bezorgdheid over mogelijke bijwerkingen, hoewel dezelfde bezorgdheden ook werden geuit over de andere vaccins). Volgens een analyse was de prijs per dosis waar de Commissie mee instemde 15 keer hoger dan de productiekosten, wat betekent dat de EU – en daarmee de verschillende nationale regeringen – mogelijk meer dan 30 miljard euro te veel voor de vaccins hebben betaald.(44)

Om de zaken nog erger te maken, toen vanaf medio 2022 enkele landen – Polen, Hongarije en Roemenië – Pfizer-BioNTech lieten weten dat ze, vanwege de budgettaire druk van de oorlog in Oekraïne en het afnemen van de pandemie, geen vaccins meer zouden afnemen of betalen, startten Pfizer en BioNTech juridische procedures tegen deze regeringen vanwege de gemiste betalingen, die naar verluidt enkele miljarden euro's bedroegen. Ondertussen heeft Frédéric Baldan, een Belgische lobbyist, een rechtszaak aangespannen tegen von der Leyen persoonlijk bij een rechtbank in Luik. Hij beschuldigt haar van het zich toe-eigenen van officiële bevoegdheden, het vernietigen van openbare documenten, het nastreven van illegale belangen en het plegen van corruptie, en het schaden van de overheidsfinanciën van zijn land.(45)

De reeks schandalen rond het hele vaccininkoopproces onderstreept het totale gebrek aan verantwoordingsplicht van het EU-systeem, en heel specifiek van de Europese Commissie – en waarom de steeds grotere politieke rol van laatstgenoemde zo problematisch is. Uiteindelijk is Pfizergate geen op zichzelf staand incident, maar een weerspiegeling van de ware aard van de EU: een veilige plek waar niet-gekozen politici en leiders uit het bedrijfsleven onder elkaar kunnen konkelfoezen, ver weg van nieuwsgierige blikken, ongehinderd door achterhaalde concepten zoals transparantie en, ironisch genoeg, de rechtsstaat zelf – terwijl overheden, en uiteindelijk burgers, voor de rekening moeten opdraaien.

Over het algemeen liet de pandemie zien hoe de Europese Commissie crises uitbuit om de reikwijdte van haar uitvoerende macht enorm uit te breiden – zelfs met buitengerechtelijke middelen – net zoals ze dat tijdens de eurocrisis had gedaan. In een reactie op de eerste maatregelen die de EU nam om de gevolgen van de COVID-19-pandemie te beteugelen, merkte Von der Leyen zelf op, dat “we dit hebben bereikt zonder over volledige bevoegdheden te beschikken”.(46) Een vergelijkbare aanpak werd later door von der Leyen gehanteerd op het gebied van het buitenlandbeleid.

 

4.2 De Oekraïneoorlog: von der Leyens ‘geopolitieke staatsgreep’

De Commissie heeft van oudsher een zwakke positie ingenomen op het gebied van buitenlands beleid, en meer specifiek op het gebied van defensie en veiligheidsbeleid, waarover de Commissie geen directe jurisdictie heeft op grond van de Europese verdragen. Supranationale integratie op dit gebied werd lange tijd gezien als een ‘minst waarschijnlijke’ situatie.(47) Vóór het voorzitterschap van von der Leyen had de Commissie haar rol in het buitenlands beleid al langzaam uitgebreid, vaak door formele besluitvormingsprocessen te ‘omzeilen’,(48) maar haar rol bleef beperkt. Voor zover de EU met één stem zou spreken over buitenlands beleid, was deze taak (formeel) voorbehouden aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (ingesteld door het Verdrag van Lissabon van 2007). Zelfs toen was het enkel de taak om de intergouvernementele consensus tussen de lidstaten over te brengen als een de facto verlengstuk van de Raad, niet als een autonome supranationale stem. Von der Leyen was vastbesloten om hier verandering in te brengen.

Kort nadat ze in 2019 het voorzitterschap van de Commissie op zich had genomen, noemde von der Leyen de oprichting van een ‘geopolitieke commissie’ een van haar belangrijkste prioriteiten.(49) De EU, zo stelde ze, moest een belangrijke ‘geopolitieke’ speler worden ‘om een betere wereldorde te creëren’. Chaos en crisis vereisten dat ze ‘de taal van de macht leerde spreken’. In werkelijkheid legde ze haar voornemen bloot om het werkterrein van de Commissie uit te breiden naar gebieden die van oudsher onder de bevoegdheid van de nationale regeringen vielen, namelijk buitenlands beleid en defensie- en veiligheidszaken.

Met andere woorden, ze anticipeerde een nieuwe institutionele coup gericht op het bereiken van nog meer supranationale eenwording en centralisatie, juist op dat ene gebied waar regeringen historisch gezien het meest terughoudend zijn geweest om de EU en haar instellingen een grotere beleidsrol te geven. De Russische inval in Oekraïne in 2022 bood haar de perfecte gelegenheid om precies dat te doen. Ondanks von der Leyens gepraat over het versterken van de geopolitieke rol van de EU, bleef de rol van de EU in de kritieke maanden voorafgaand aan de Russische invasie marginaal vergeleken met die van de VS. Voor zover bekend raadpleegden de VS geen Europese regeringen, noch de EU, waardoor het blok grotendeels aan de zijlijn van de zich ontvouwende crisis leek te staan.

Na de Russische invasie nam de EU echter, via de Europese Commissie, plotseling een veel activistischere rol aan. Von der Leyen greep opnieuw de door de crisis gecreëerde kans aan om de leiding te nemen in de reactie van het blok. Dit stelde haar in staat twee elkaar versterkende doelen na te streven: het mandaat van de Commissie op het gebied van veiligheid uitbreiden en tegelijkertijd zorgen voor de afstemming van het blok op (of beter gezegd: de ondergeschiktheid van het blok aan) de strategie van de VS en de NAVO. Het doel was in wezen om de Commissie om te vormen tot ‘een verlengde Europese tak van de NAVO en de Verenigde Staten‘, zoals Wolfgang Streeck het treffend verwoordde:

Omdat de Commissie geen jurisdictie had onder de Europese verdragen inzake militaire en defensieaangelegenheden, probeerde zij lacunes in de capaciteiten van de EU-lidstaten en de NAVO te identificeren die zij kon opvullen, in de hoop daarmee haar bestuurlijke capaciteiten als internationale instelling te versterken of te herstellen.(50)

Von der Leyens eerste stap was het in recordtijd uitwerken van een omvangrijk sanctieregime zonder voorgaande tegen Rusland. Het eerste sanctiepakket werd letterlijk de dag na de Russische invasie, op 25 februari, aangenomen, waarna tientallen andere pakketten volgden.(51) Deze omvatten bevriezing van tegoeden en reisverboden, beperkingen voor banken en centrale banken zoals de uitsluiting van het SWIFT-systeem, exportcontroles en importverboden, en embargo's op Russische energie.

Er is veel gezegd over de sancties en hun effectiviteit, of het gebrek daaraan. Maar een aspect dat grotendeels onopgemerkt is gebleven, is de manier waarop von der Leyen de sancties heeft gebruikt om, wederom, in alle stilte de bevoegdheden van de Commissie uit te breiden, ten koste van de Raad en de lidstaten.

Traditioneel zou de Raad de drijvende kracht zijn achter het opzetten van een EU-sanctieregime, terwijl de Commissie toezicht hield op de technische details en de implementatie. Het sanctieregime na de invasie daarentegen kende een dramatische omkering van de rollen. Hoewel er vanuit een formeel procedureel standpunt niets veranderde – de Commissie zou de voorgestelde beperkingen samen met de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid voorleggen, die vervolgens door de Europese Raad met eenparigheid van stemmen moesten worden goedgekeurd – nam de Commissie deze keer een grotere rol dan ooit tevoren op zich bij de ontwikkeling van het sanctiebeleid.

Er zijn verschillende factoren die hierbij in rekening moeten genomen worden. Ten eerste betekende de noodzaak om snel en doortastend op te treden, net als bij eerdere crises, dat de Commissie als institutionele expert op dit gebied in een goede positie verkeerde om de zaken in eigen hand te nemen. Zo stelde von der Leyen in sneltreinvaart onmiddellijk verschillende pakketten voor, zonder voorafgaand overleg met de lidstaten. Zoals Politico uitlegde:

Gedurende het hele voorbereidingsproces was het de Commissie die het voortouw nam bij de sancties. Ze raadpleegde enkele nationale hoofdsteden zoals Berlijn, Parijs en Rome, maar ontmoette vertegenwoordigers van de lidstaten grotendeels in kleine groepen om hun standpunten te peilen. Uit angst dat het ambitieuze sanctiepakket zou uitlekken, presenteerde de Commissie nooit een ontwerptekst, tot op het laatste moment wanneer de lidstaten klaar waren om het te bespreken.(52)

De schok van de invasie, die leidde tot een ‘aanzienlijke herformulering’ van de standpunten van de lidstaten over de waargenomen dreiging van Rusland,(53) betekende ook dat de lidstaten maar al te graag bereid waren om (of weinig andere keus zagen dan) mee te gaan, althans in eerste instantie. Groepsdruk deed de rest. Volgens een wetenschapper “betekende de immense politieke druk bovendien dat de lidstaten in de eerste maand na de Russische invasie vrijwel alle voorgestelde sanctiemaatregelen zouden accepteren(54) – zelfs met betrekking tot voor de lidstaten politiek zeer gevoelige kwesties, zoals het blokkeren van de toegang van Russische banken tot het SWIFT-systeem, of energiesancties op kolen en ruwe olie.

Dit wil niet zeggen dat lidstaten geen enkele inspraak hadden in de uitwerking van het sanctieregime. De Commissie was echter duidelijk meer geneigd om naar sommige regeringen te luisteren dan naar andere. Zo merkte een onderzoek op dat in de eerste maanden na de invasie havik-regeringen aan de oost- en noordflank van het blok “‘hun wildste sanctiedromen’ naar de Commissie stuurden, [die] deze vervolgens vaker wel dan niet rechtstreeks in het voorgestelde sanctiepakket opnam.(55)

Dit weerspiegelde hoe de oorlog tussen Rusland en Oekraïne een verschuiving in de Europese geopolitieke machtsas van het westen naar het noordoosten teweegbracht, een proces dat de VS aanzienlijk steunde in de context van de toenemende NAVO-integratie van de EU. Opnieuw wordt eraan herinnerd dat het besluitvormingsproces van de EU altijd het resultaat is van een complex samenspel van nationale, internationale en supranationale dynamieken – met de opvallende afwezigheid, zoals altijd, van de “demos”.

Dit wijst op een andere cruciale factor die de centrale rol van de Commissie in het sanctiebeleid verklaart: de transatlantische dimensie. Omdat de sancties deel uitmaakten van een westers beleid dat uiteindelijk door Washington werd gedicteerd, kon von der Leyen haar sterke transatlantische banden gebruiken om haar rol en invloed verder te versterken. Enkele maanden na de invasie schreef Politico dat von der Leyen – door het tijdschrift ‘Europa's Amerikaanse president’ genoemd(56) – “zich had ontpopt tot de persoon die je moest bellen als VS-functionarissen Europa wilden bellen”:

[V]on der Leyen heeft de transatlantische dialoog over Rusland en het sanctiebeleid stevig in handen gekregen en is daarmee de voornaamste gesprekspartner van de Amerikaanse president Joe Biden geworden – de vrouw die het Witte Huis belt als Amerika met de EU wil praten. En zij en haar team worden geprezen voor het feit dat ze de typische valkuilen van EU-onenigheid over het sanctiebeleid hebben weten te omzeilen, door met succes ronde na ronde strafmaatregelen uit te vaardigen met relatief weinig tegenstand.(57)

Zoals Wolfgang Streeck opmerkte, diende het op één lijn brengen van de EU met de VS-NAVO strategie ook von der Leyen's zelfverheerlijkende ambities:

In haar streven naar de opbouw van een supranationale Europese staat zette de Europese Commissie onder von der Leyen Amerikaanse druk voor Europese steun in Oekraïne in als hefboom om haar lidstaten extra bevoegdheden en competenties te ontfutselen, een strategie die door grote delen van het Europees Parlement werd gesteund.(58)

Von der Leyen kon ook op rekenen op het feit dat Björn Seibert, haar toenmalige (en ook nog huidige) kabinetschef, een persoonlijke vriend is van de Amerikaanse nationale veiligheidsadviseur Jake Sullivan. Zoals de Financial Times meldde, “werd de EU-inspanning, in afwijking van eerdere praktijken, rechtstreeks [met Washington] gecoördineerd vanuit het kantoor van von der Leyen via Björn Seibert”.(59) Nogal schokkend is dat een EU-ambassadeur opmerkte dat de samenwerking tussen de Verenigde Staten en het EU-leiderschap ertoe leidde dat “de VS in het begin meer wisten over het werk aan EU-sancties dan de EU-lidstaten”.(60)

Dit creëerde op zijn beurt een institutionele afhankelijkheid, waarbij de marginalisering van lidstaten bij de formulering van het sanctieregime ertoe leidde dat von der Leyen en haar kabinet de “enige actoren met een overzicht van de algehele sanctiediscussies” werden(61), wat op zijn beurt een zichzelf versterkende dynamiek creëerde die leidde tot een toenemende centralisatie en de facto supranationalisering van het hele proces. Bovendien duurde het, net als tijdens eerdere crises, niet lang voordat de nieuwe interinstitutionele dynamiek, gecreëerd door de ‘werkelijkheid ter plaatse’, werd geformaliseerd en gekristalliseerd door nieuwe institutionele regelingen. Von der Leyen was inderdaad expliciet in haar manier om de crisis te kaderen als een crisis die snelle institutionele veranderingen vereiste om zich aan te passen aan de nieuwe status quo. In een toespraak voor het Europees Parlement kort na de invasie betoogde ze:

[Wanneer] we vastberaden zijn, kan Europa de uitdaging aan. Hetzelfde geldt voor defensie. De Europese veiligheid en defensie zijn de afgelopen zes dagen sterker geëvolueerd dan in de afgelopen twee decennia. […] Dit is een keerpunt voor onze Unie.(62)

Zo besloot de Raad eind 2022 de Commissie de bevoegdheid te geven om over de hele EU boetes op te leggen en te handhaven voor het overtreden van sancties, iets wat tot dan toe de bevoegdheid van de individuele lidstaten was.(63) Cruciaal is dat het bestaande systeem, via de spoedprocedure van het Europees Parlement, is herzien zonder de Commissie Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken van het Europees Parlement of de Economische en Sociale Raad erbij te betrekken, en zonder de normaal verplichte impact assessment uit te voeren.(64) Dit is wederom een voorbeeld van hoe crisis-/noodpolitiek vaak leidt tot snelle institutionele veranderingen die vrijwel altijd gepaard gaan met een toenemende supranationalisering en commissionisering van het besluitvormingsproces van de EU, en met een toenemend gebrek aan democratische controle.

De cruciale rol van de Commissie, en van von der Leyen in het bijzonder, bij de reactie op de Oekraïnecrisis werd verder geaccentueerd door een ongewoon agressief discours bij de presentatie van de sanctierondes. Met ongekend harde taal sprak von der Leyen over de EU-sanctiepakketten als bedoeld om systematisch “Ruslands technologische basis en industriële capaciteit te degraderen”,(65)Poetins vermogen om zijn oorlogsmachine te financieren te verlammen”, “Rusland verder te isoleren en de middelen die het gebruikt om deze barbaarse oorlog te financieren uit te putten”, “een centrale sector van het Russische systeem te raken” en “het miljarden aan exportinkomsten te ontnemen”.(66) Naast het gebruikte taalgebruik, zette von der Leyen het protocol ook op losse schroeven door de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, destijds Josep Borrell, bij de presentatie van de pakketten buitenspel te zetten. Zoals een wetenschapper betoogde:

Gezien het traditioneel pijleroverschrijdende karakter van sancties als economische en financiële instrumenten die voor politieke doeleinden worden ingezet, zou je verwachten dat de [hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid] belast zou worden met de publieke communicatie erover. Hij komt naar voren als de ideale figuur, omdat zijn functie de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van economisch en financieel bestuur combineert met de politieke rol van de Raad op het gebied van buitenlandse zaken. […] Toch was het Commissievoorzitter von der Leyen die bij de communicatie over nieuwe EU-sanctiepakketten de leidende rol op zich nam. Pas na haar eerste aankondiging van de goedkeuring van elke nieuwe sanctieronde gaf de voorzitter doorgaans het woord aan [hoge vertegenwoordiger] Josep Borrell, die de details van elk pakket schetste.(67)

Terwijl de Commissie in de maanden na de invasie steeds strengere en bredere sancties bleef voorstellen, begonnen we weerstand te zien van sommige EU-leiders – met name Viktor Orbán. “De pogingen om Rusland te verzwakken zijn niet geslaagd”, zei hij medio 2022. “Daarentegen zou Europa door de brute inflatie en energietekorten als gevolg van de sancties op de knieën kunnen worden gebracht.”(68) De onderhandelingen over het zesde sanctiepakket verliepen bijzonder moeizaam, omdat Hongarije dit pakket lange tijd blokkeerde. Uiteindelijk kreeg Hongarije vrijstelling van het verbod op Russische ruwe olie.

De gebeurtenissen zouden Orbán gelijk geven. Twee jaar na het begin van het conflict hield von der Leyen nog steeds vol dat “laag na laag de sancties de Russische industriële samenleving afpellen”,(69) hoewel inmiddels duidelijk was geworden dat de sancties hun beoogde doel, de Russische economie lamleggen, volledig hadden gemist en in feite een catastrofale terugslag produceerden. De Russische economie ‘bloeide’,(70) deels dankzij de sancties zelf, die Rusland ertoe aanzetten een beleid van handelsbescherming, industrieel beleid en kapitaalcontroles te voeren dat het op eigen initiatief onmogelijk had kunnen implementeren.(71) Ondertussen waren grote delen van West-Europa in een recessie beland, grotendeels ook dankzij de sancties zelf en de afkoppeling van Russisch gas.

Maar vanuit von der Leyens perspectief is haar agressieve aanpak een succes gebleken, waardoor ze in haar eentje ‘supranationaal’ de toon kon zetten van de reactie van het blok. Dit heeft gezorgd voor een veel agressievere reactie dan een meer consensuele intergouvernementele aanpak waarschijnlijk zou hebben opgeleverd, vaak met een retoriek die nog militanter was dan die van de VS zelf. Dit betekende ook dat de EU en haar lidstaten onvermoeibaar de onwrikbare toewijding aan Oekraïnes maximalistische overwinningsstrategie ten koste van alles moesten uitdragen: Oekraïne moest blijven vechten totdat het elke centimeter verloren grondgebied, inclusief de Krim, had heroverd, ongeacht de menselijke of economische tol, en dat er niet met Poetin onderhandeld mocht worden. Dit ondanks de bedenkingen die sommige landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, hadden bij deze aanpak, vooral in het begin.

De Commissie speelde ook een cruciale rol bij het doorbreken van het taboe op de financiering van dodelijk wapentuig door de EU, toen ze besloot dodelijke militaire hulp aan Oekraïne te financieren. Aangezien artikel 41.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie expliciet “uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied” verbiedt, vereiste deze stap enige creativiteit. Daartoe heeft de Commissie 3,6 miljard euro van haar Europese Vredesfaciliteit (EPF) – een financieringsmechanisme buiten budget dat opgezet is om “conflicten te voorkomen, vrede te bouwen en te bewaren en de internationale veiligheid en stabiliteit te versterken” – vrijgemaakt voor dodelijke en niet-dodelijke militaire steun aan Oekraïne.(72) Het was de eerste keer dat de Europese Vredesfaciliteit, op dat moment enigszins een verkeerde naam, ooit werd gebruikt om wapens te leveren aan een land in oorlog. Deze beslissing is des te indrukwekkender, aangezien de EU drie militair neutrale lidstaten omvat: Oostenrijk, Ierland en Malta.

Ondertussen bleef von der Leyen standvastig Oekraïne de mogelijkheid van volledig EU-lidmaatschap bieden. Beloftes van versnelde toetreding gingen gepaard met langetermijnverbintenissen tot economische steun voor het herstel van Oekraïne, zowel tijdens als na de oorlog. Eind 2022 verklaarde von der Leyen dat de wederopbouw van Oekraïne een “omvattend Marshallplan” zou vereisen, waarvoor de EU “een nieuw platform voor de wederopbouw van Oekraïne zou presenteren”.(73) Bijna twee jaar later herhaalde ze “Europa’s standvastige toewijding om Oekraïne te steunen zolang dat nodig is”, en verklaarde dat de Europese Unie “Oekraïne stevig zal steunen, financieel, economisch, militair en bovenal moreel, totdat het land eindelijk vrij is”.(74)

Net als bij de sancties, of welke andere kwestie dan ook, gaat het er niet om of men het eens is met het beleid dat von der Leyen schetst of niet. Het gaat erom hoe zij door middel van dergelijke uitspraken beleid kan ‘vastleggen’ voordat het formeel is goedgekeurd door de lidstaten, laat staan door nationale parlementen – niet alleen op cruciale punten van militair en veiligheidsbeleid, maar ook op het gebied van begrotings- en uitgavenbeleid. Men zou kunnen stellen dat de lidstaten uiteindelijk de leiding behouden, voor zover elk beleid uiteindelijk door de Europese Raad moet worden goedgekeurd, maar dit negeert de manier waarop dergelijke uitspraken in feite een nieuwe epistemische ‘realiteit ter plaatse’, of voldongen feiten creëren. Lidstaten komen vervolgens onder zware druk te staan om zich eraan te conformeren.

In dit verband is het vermeldenswaard dat, ondanks alle kritiek van de VS op Europa omdat het zou weigeren ‘zijn eerlijke deel’ te betalen voor defensie, de EU-landen en EU-instellingen in juni 2024 in totaal 110 miljard euro aan Oekraïne hebben toegewezen, terwijl de totale financiële steun van de Verenigde Staten ‘slechts’ 75 miljard euro bedraagt(75) – en deze tendens wordt steeds duidelijker. Ondertussen is er weinig discussie geweest over de uitdagingen die de toelating van een land als Oekraïne tot de EU, met de bijbehorende vereiste van langdurige financiële steun, zou betekenen voor de interne politieke en financiële stabiliteit van de EU.

Wat bijzonder tragisch is, is dat von der Leyens autoritaire, top-down-benadering van de Oekraïnecrisis de EU niet heeft getransformeerd tot een ‘geopolitieke actor’ die zelfstandig op het wereldtoneel kan staan en haar belangen kan verdedigen, zoals zij aan het begin van haar presidentschap had aangekondigd, wat deze aanpak mogelijk deels heeft gerechtvaardigd. Integendeel, door zich onvoorwaardelijk te schikken naar de Amerikaanse strategie heeft von der Leyen de EU meer dan ooit tevoren “gevazaliseerd” ten opzichte van de VS (in de woorden van twee analisten van de European Council on Foreign Relations).(76) Zoals Orbán het onlangs verwoordde: “Europa heeft het opgegeven zijn eigen belangen te verdedigen: alles wat Europa vandaag de dag doet, is onvoorwaardelijk de buitenlandse beleidslijn van de Amerikaanse Democraten volgen, zelfs ten koste van zijn eigen zelfvernietiging.”(77) Dat hebben we grotendeels aan von der Leyen te danken.

Een laatste punt dat vermeld moet worden, is de manier waarop von der Leyens commissie de oorlog in Oekraïne – en met name de dreiging van ‘Russische desinformatie’ – heeft gebruikt om de goedkeuring te verkrijgen van een alomtegenwoordig nieuw censuurregime in de vorm van de Digital Services Act (DSA). Deze wet, oorspronkelijk voorgesteld door von der Leyen in 2019, verplicht socialemediaplatforms om alle content te verwijderen die de Commissie zelf als ‘haatzaaiende uitlatingen’ of ‘desinformatie’ beschouwt (op basis van vage en steeds veranderende definities). Hoewel de Commissie beweert dat het hierbij draait om de bescherming van gebruikers, is het gemakkelijk te begrijpen waarom velen geloven dat het uiteindelijke doel is om afwijkende meningen te censureren en het online narratief te controleren – met name rond zeer controversiële kwesties zoals de oorlog tussen Rusland en Oekraïne.

Het is geen toeval dat het allereerste DSA-rapport(78) van de Europese Commissie volledig gericht was op de kwestie van ‘Russische desinformatie’. Veelzeggend is dat het rapport ‘accounts die de lijn van het Kremlin volgen’ – mogelijk elk account dat kritisch staat tegenover de EU-NAVO-aanpak van de oorlog – bijna op hetzelfde niveau plaatst als accounts die verbonden zijn met of geassocieerd worden met de Russische staat. Ondertussen heeft de Commissie ook een breed scala aan andere initiatieven ondersteund om ‘misinformatie’ en ‘desinformatie’ met betrekking tot het conflict te bestrijden.

Al met al is het Oekraïneconflict wederom een schoolvoorbeeld van sluipende integratie door middel van een crisis – of, in dit geval, oorlog – waarbij de Europese Commissie crises gebruikt om de facto of de jure de uitbreiding van haar top-down uitvoerende bevoegdheden te bevorderen, ook op gebieden waar zij geen formele bevoegdheid heeft, zoals buitenlands beleid en defensie- en veiligheidszaken. Dit heeft geleid tot een steeds toenemende supranationalisering (en, parallel daaraan, de-nationalisering en de-democratisering) van het besluitvormingsproces van de EU. Zogenaamd ‘eenmalige’ noodoplossingen die worden gepresenteerd als noodzakelijk voor een snelle reactie op de crisis – zoals het verlenen van meer speelruimte dan ooit tevoren aan de Commissie bij het opstellen van het sanctiebeleid – leiden tot nieuwe institutionele realiteiten, die vervolgens de status quo worden.

Het is dan ook geen verrassing dat von der Leyen bij het uitbreken van de oorlog tussen Israël en Gaza opnieuw de plicht voelde om namens het hele blok te spreken (en te handelen). Een week na de terreuraanslag van Hamas op 7 oktober maakte ze bijvoorbeeld een ongeplande reis naar Israël, waarvan ze naar verluidt niemand op de hoogte had gesteld, en bevestigde ze de onwrikbare steun van de EU aan Israël.(79) Niet alleen had ze voorafgaand aan de reis geen overleg gepleegd met EU-leiders – of hen er zelfs maar over verteld – maar ze gaf daar zelfs niet het standpunt weer van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken die Israël opriepen het internationaal recht te respecteren. Dit leidde tot scherpe kritiek van verschillende EU-leiders en -ambtenaren. “Ik begrijp niet wat de voorzitter van de Commissie te maken heeft met buitenlands beleid, dat niet haar mandaat is”, schreef Nathalie Loiseau, Europees parlementslid en senior lid van de Renew Europe-groep van de Franse president Emmanuel Macron, op X.(80).

Zelfs Josep Borrell, formeel hoofd buitenlands beleid van de EU, gaf von der Leyen een zeldzame publieke berisping. Hij stelde dat zij niet bevoegd is om de standpunten van de EU over buitenlands beleid te vertegenwoordigen, die normaal gesproken tussen de lidstaten worden gecoördineerd. Het buitenlands beleid wordt bepaald door de leiders van de 27 EU-landen tijdens internationale topconferenties en besproken door ministers van Buitenlandse Zaken tijdens vergaderingen “onder mijn voorzitterschap”, vertelde Borrell aan journalisten.(81) EU-Raadsvoorzitter Charles Michel gaf ook uiting aan de frustratie van staatsleiders toen hij zei dat de EU “de rekening had betaald” voor von der Leyens aanpak van de Gazacrisis. Hij verwees daarbij naar de schade aan het imago van de EU in het Midden-Oosten en betreurde het dat de Commissie uitspraken deed “zonder enige legitimiteit”.(82)

Dat zou zo kunnen zijn, maar de meeste EU-leiders dragen een grote verantwoordelijkheid voor deze situatie. Door von der Leyen en de Commissie toe te staan hun bevoegdheden meedogenloos uit te breiden, de ene stille staatsgreep na de andere – eerst tijdens de pandemie, daarna rond de oorlog in Oekraïne – hebben ze bijgedragen aan het ontstaan van deze nieuwe realiteit. En door von der Leyen te herverkiezen, hebben ze ervoor gezorgd dat dit proces van sluipende supranationalisering de komende jaren zal voortduren.

 

5 Conclusies

We hebben gezien hoe de Europese Commissie, crisis na crisis, door een gestaag proces van ‘competentie-kruip’, vaak in de vorm van regelrechte institutionele staatsgrepen, haar macht geleidelijk heeft uitgebreid en haar invloed heeft vergroot op gebieden die traditioneel voorbehouden waren aan nationale overheden – van fiscaal en monetair beleid tot volksgezondheid, van buitenlands beleid tot defensie en veiligheid. Dit heeft geleid tot een toenemende supranationalisering en commissionisering (en daaropvolgende de-nationalisering en de-democratisering) van het besluitvormingsproces van de EU.

De politieke invloed van de verschillende betrokken actoren, in de eerste plaats von der Leyen zelf, heeft uiteraard een belangrijke rol gespeeld in dit proces. Dit rapport benadrukt echter het structurele en padafhankelijke karakter van de Europese integratie, het feit dat zelfs beperkte vormen van supranationale integratie institutionele, materiële en zelfs psychologische padafhankelijkheden creëren die verdere overdrachten van soevereiniteit onvermijdelijk (of schijnbaar onvermijdelijk) maken in de toekomst, vooral in tijden van crisis.

In die zin heeft de geschiedenis de functionalistische theorieën bevestigd die de grondleggers van de Europese integratie, zoals Jean Monnet en Robert Schuman, aanhingen. Zij waren zich er terdege van bewust dat Europese burgers, en zelfs nationale regeringen, zich zouden verzetten tegen elk proces dat expliciet gericht was op de opbouw van een Europese superstaat. Daarom ontwikkelden zij de doctrine van de ‘kleine stapjes’, waarbij internationale samenwerking zou moeten beginnen met het beheer van specifieke, technische en praktische kwesties die nationale grenzen overschrijden, zoals economische, sociale of milieuoverwegingen.

Dit zou op zijn beurt druk creëren voor verdere integratie, verergerd door reële of georkestreerde crises. Deze crises fungeren vaak als ‘faciliterende gebeurtenissen(83) die spillover-effecten veroorzaken, niet alleen gedreven door de ‘functionele’ (praktische) behoeften van regeringen, maar ook door de acties van supranationale instellingen (zoals de Europese Commissie, maar ook de ECB en het Europees Hof van Justitie) en groepen die er belang bij hebben het integratieproces vooruit te helpen, zelfs tegen de weerstand van nationale regeringen in. Zoals we hebben gezien, genereert iedere stap in de richting van grotere supranationale integratie zichzelf versterkende trends, die verdere stappen in dezelfde richting faciliteren.

Als u bijvoorbeeld uw monetaire soevereiniteit en wisselkoersbeleid aan de EU hebt overgedragen, zoals de landen van de eurozone, betekent dit dat u niet over de instrumenten beschikt om autonoom te reageren op een externe schok zoals een economische of financiële crisis. U heeft in zo'n situatie weinig andere keus dan de controle over te dragen aan de instelling die nu die instrumenten beheert – de EU – zoals we zagen tijdens de eurocrisis. Evenzo leidt het simpele feit dat men deel uitmaakt van een ‘multinationale club’ zoals de Europese Unie, wanneer men geconfronteerd wordt met crises van mondiale of continentale aard – zoals een pandemie of een oorlog – onvermijdelijk tot oproepen tot een gemeenschappelijke supranationale reactie op EU-niveau, door de Commissie (of andere supranationale organen, zoals de ECB) verder te machtigen.

Het idee dat individuele staten in de huidige, steeds complexere en onderling afhankelijke wereld steeds machtelozer zijn geworden en daarom hun soevereiniteit zouden moeten ‘bundelen’ en overdragen aan grotere en machtigere supranationale instellingen, is lange tijd een van de fundamentele mythen van de EU geweest. Dit is het argument dat bij elke crisis systematisch wordt aangevoerd om verdere supranationale integratie te rechtvaardigen. Als dit echter waar zou zijn, zelfs afgezien van de vraag naar democratische verantwoording, zou de aanpak van eerdere crises door de EU in ‘functioneel’ opzicht ongetwijfeld tot positieve resultaten hebben geleid, althans ten opzichte van vergelijkbare landen buiten de EU.

We weten echter dat dit verre van het geval is. De EU heeft bijvoorbeeld veel grotere economische en sociale gevolgen ondervonden van de financiële crisis dan de VS, waar de crisis ontstond – grotendeels als gevolg van de structurele disfunctionaliteiten van het eurosysteem, die nog moeten worden opgelost. Bovendien, zoals in dit rapport wordt besproken, heeft de centralisatie van de Covid-19-respons in handen van de Commissie geleid tot grootschalig misbruik door bedrijven, geheime (en mogelijk corrupte of zelfs ronduit illegale) praktijken, en tot een enorme verspilling van publieke economische middelen – waarvoor lidstaten en belastingbetalers nog lange tijd de rekening zullen moeten afbetalen. Bovendien is het economische herstel van de EU na de pandemie aanzienlijk trager verlopen dan dat van de Verenigde Staten.

Evenzo is het zeer moeilijk hard te maken dat de centrale rol die de Commissie heeft gespeeld in het beheer van de Russisch-Oekraïense oorlog, en met name in de ontwikkeling en implementatie van het sanctieregime, tot optimale resultaten heeft geleid. Zelfs afgezien van de bredere geopolitieke gevolgen van de transatlantische vazalisering, zoals Orbán en anderen hebben benadrukt, wordt nu algemeen erkend dat de sancties hun beoogde doel, namelijk de Russische economie verlammen, volledig hebben gemist en in feite catastrofaal averechts hebben gewerkt, waardoor grote delen van West-Europa in een recessie en zelfs deïndustrialisatie terecht zijn gekomen.

Al met al lijkt een belangrijke les hieruit te zijn dat er geen duidelijke economische of praktische afweging is voor het dramatische verlies aan democratische controle en verantwoordingsplicht als gevolg van de uitholling van de nationale soevereiniteit die inherent is aan de verdieping van het proces van sluipende supranationalisering van de EU. Integendeel, gebrek aan toezicht verergert simpelweg de machtsovername van het besluitvormingsproces door machtige gevestigde belangen, gedreven door winst, macht, ideologie of doorgaans een combinatie van deze factoren, wat leidt tot suboptimale resultaten, althans voor de samenleving als geheel.

Een vraag die dit rapport ook probeert te beantwoorden, is waarom lidstaten, op enkele uitzonderingen na, dit proces hebben toegestaan, of zelfs actief hebben gesteund, in die mate dat het heeft geleid tot hun relatieve marginalisering in het besluitvormingsproces van de EU. Los van het antwoord dat de (neo)functionalistische theorie biedt – dat beperkte supranationale integratie regeringen onder druk zet om verdere integratie in de toekomst te accepteren, vooral in tijden van crisis, of ze dat nu willen of niet – ligt een deel van de verklaring in de manier waarop nationale elites Europa historisch gezien hebben ‘gebruikt’ om de druk van de volksdemocratie op binnenlands niveau te omzeilen en beleid op te leggen dat anders politiek niet haalbaar zou zijn geweest.

Vanaf de jaren negentig bijvoorbeeld, gingen nationale elites in veel Europese landen de euro zien als een ‘Trojaans paard’ waarmee ze neoliberaal beleid konden doorvoeren waarvoor weinig politieke steun bestond. Zoals Kevin Featherstone, een fervent voorstander van Europese integratie, het verwoordde: “Bindende EU-afspraken stellen regeringen in staat om onpopulaire hervormingen in eigen land door te voeren en tegelijkertijd de schuld af te schuiven op de ‘EU’, zelfs als ze zelf een dergelijk beleid hadden gewild.(84) Hoewel wetenschappers zich over het algemeen hebben gericht op hoe deze logica zich heeft gemanifesteerd in het economisch beleid, kan dezelfde logica mogelijk ook worden toegepast op andere domeinen, van volksgezondheid tot buitenlands beleid. In die zin kan worden gesteld dat de EU belichaamt wat de politicoloog Edgar Grande omschreef als de ‘paradox van zwakte’: nationale elites dragen een deel van hun macht over aan een supranationale beleidsmaker (waardoor ze zwakker lijken), om zo beter bestand te zijn tegen de druk van maatschappelijke actoren door te getuigen dat “dit de wil van Europa is” (waardoor ze sterker worden).(85)

De EU moet dus niet alleen worden gezien als een supranationale autoriteit die de autonomie van natiestaten aantast (hoewel ze dat natuurlijk ook is), maar ook als een instituut dat pro-establishment nationale autoriteiten, indien nodig, kunnen inzetten tegen hun eigen ‘populistische’ tegenstanders – niet alleen in eigen land, maar ook in andere landen. De manier waarop EU-leiders die vijandig staan tegenover Orbán de Europese Commissie ogenschijnlijk hebben ‘gebruikt’ om Hongarije, ook financieel, onder druk te zetten om zich te conformeren aan de EU-agenda – met name wat betreft Oekraïne – is een goed voorbeeld van deze dynamiek.(86)

Dit roept een laatste vraag op: gezien de groeiende beperkingen die de meedogenloze supranationalisering van het besluitvormingsproces van de EU aan lidstaten oplegt, wat moet een lidstaat die werkelijk vastbesloten is zijn nationale en democratische soevereiniteit te handhaven, zelfs tegen de wil van de EU en andere lidstaten in, doen?

Behoudens extreme oplossingen, zoals terugtrekking uit de EU/Euro, suggereert de huidige koers van de Europese Commissie een dringende noodzaak om consensus tussen de lidstaten te bereiken over institutionele hervormingen, om ervoor te zorgen dat de groeiende macht van de Commissie wordt gecompenseerd door sterkere democratische controle. Er moeten mechanismen worden ingevoerd om de transparantie van de besluitvormingsprocessen van de Commissie te vergroten en ervoor te zorgen dat lidstaten – en met name nationale parlementen – een grotere rol spelen bij de vormgeving van het EU-beleid. Bovendien zijn er opt-outmogelijkheden nodig voor lidstaten die het niet eens zijn met de meerderheidsconsensus. Zonder dergelijke hervormingen zal de democratische achteruitgang van de EU alleen maar toenemen.

 

Over de auteur

Thomas Fazi
Auteur, onderzoeker en journalist

Thomas Fazi is een onafhankelijk onderzoeker, schrijver en journalist, gevestigd in Rome. Hij is de auteur van verschillende boeken, waaronder: The Battle for Europe: How an Elite Hijacked a Continent– and How We Can Take It Back (Pluto Press, 2014); Reclaiming the State: A Progressive Vision of Sovereignty for a Post-Neoliberal World (mede geschreven met Bill Mitchell; Pluto Press, 2017); en The Covid Consensus: The Global Assault on Democracy and the Poor – A Critique from the Left (mede geschreven met Toby Green; Hurst, 2023). Hij is columnist voor UnHerd en Compact.

 

Over MCC Brussels

In een tijd van ongekende politieke polarisatie zet MCC Brussels zich in om een thuis te bieden voor oprechte beleidsberaadslaging en een diepgaande verkenning van de vraagstukken van onze tijd.

MCC Brussels zet zich in om de moeilijke vragen te stellen en samen te werken met mensen van goede wil, van alle gezindten, om oplossingen te vinden voor onze meest urgente problemen. MCC Brussels, een initiatief van MCC (Mathias Corvinus Collegium), het toonaangevende Hongaarse onderwijsforum, werd in het najaar van 2022 opgericht om te pleiten voor het vieren van ware diversiteit aan denken, diversiteit aan standpunten en de diversiteit aan Europese culturen en hun waarden.

De afgelopen jaren heeft een opeenvolging van crises voor de EU geleid tot een uitbreiding van de bevoegdheden van de Europese Commissie.

De staatsschuldencrisis, de vluchtelingencrisis, de Brexit-stemming, de COVID-19-pandemie en de oorlog in Oekraïne hebben allemaal geleid tot een uitbreiding van de bevoegdheden van de Commissie. Heeft de Commissie deze crises gebruikt als excuus om een meer supranationale en gecentraliseerde EU te smeden? Of was dit slechts een ‘natuurlijke’ reactie op ernstige crises?

Centraal in dit proces staat Ursula von der Leyen. Zij is bijzonder actief geweest in het transformeren van het EU-bestuur naar wat Politico ooit een bijna ‘Amerikaans-presidentiële invulling van de uitvoerende macht’ noemde, en heeft von der Leyen de bijnaam ‘Koningin Ursula’ in Brussel bezorgd. Hoe heeft VDL deze transformatie van de EU-macht kunnen beïnvloeden?

Dit rapport laat zien dat dit grotendeels heimelijk heeft plaatsgevonden, via verschillende vormen van ‘competentie-kruip’. Bij gebrek aan formele verdragswijzigingen en buiten het domein van het democratisch debat, zijn we getuige geweest van een ingrijpende overdracht van soevereiniteit van nationaal naar supranationaal niveau, ten koste van democratische controle en verantwoording. Dit is wat wetenschappers ‘integratie door heimelijkheid’, ‘verborgen integratie’ of, in de woorden van politiek filosoof Perry Anderson, “de staatsgreep” noemen.

Dit artikel laat zien hoe de VDL-commissie de Covid-19- en Oekraïne-crisis heeft gebruikt om een sluipende overdracht van bevoegdheden van nationaal naar supranationaal niveau te bewerkstelligen door middel van een reeks ‘stille staatsgrepen’. Het onderzoekt verder de machtsverschuiving tussen de Commissie en de Europese Raad, en de paradox hoe dit proces vaak door de lidstaten zelf is bevorderd, ten koste van hun soevereiniteit. Ten slotte worden er zorgen geuit over de uitholling van de nationale soevereiniteit en democratische verantwoording die dit proces met zich mee heeft gebracht.

MCCBrussels
@MCC_Brussels
@mccbrussels
brussels.mcc.hu


Endnotes

(1): Jean Monnet, Memoirs, 1978, Collins, p. 417

(2): Perry Anderson, ‘The European Coup’, London Review of Books, 17 December 2020, lrb.co.uk (accessed August 2024)

(3): Ursula von der Leyen, statement in the European Parliament’s plenary, 18 July 2024, ec.europa.eu (accessed August 2024)

(4): Suzanne Lynch and Ilya Gridneff, ‘Europe’s American president: The paradox of Ursula von der Leyen’, Politico, 6 October 2022, Politico.eu (accessed August 2024)

(5): Sacha Garben, ‘Competence Creep Revisited’, in Journal of Common Market Studies, Volume 17, Number 2, March 2019, eclass.uoa.gr (accessed August 2024)

(6): Virginia Volpi, ‘To Have or Not to Have Competence: EU Integration by Stealth through Permacrisis’, Istituto Affari Internazionali, IAI Papers 24|17, May 2024, iai.it (accessed August 2024)

(7): Adrienne Héritier, ‘Covert Integration of Core State Powers: Renegotiating Incomplete Contracts’, in Philipp Genschel and Markus Jachtenfuchs (eds), Beyond the Regulatory Polity? The European Integration of Core State Powers, Oxford University Press, 2014, pp. 230-248, academic.oup.com (accessed August 2024)

(8): Meunier, S. (2017) Integration by Stealth: How the European Union Gained Competence over Foreign Direct Investment. JCMS: Journal of Common Market Studies, 55: 593–610. onlinelibrary.wiley.com (accessed August 2024)

(9): Garben, S. (2017). The Constitutional (Im)balance between ‘the Market’ and ‘the Social’ in the European Union. European Constitutional Law Review. 13. 1-39. 10.1017/S1574019616000407, researchgate.net (accessed August 2024)

(10): Perry Anderson, ‘The European Coup’, London Review of Books, 17 December 2020, lrb.co.uk (accessed August 2024)

(11): Marco Baldassari et al., ‘Europa resiliente: plasticità e irriformabilità della governance’, in Il Ponte, Number 5-6, May-June 2017

(12): See, eg, Thomas Fazi, ‘Jacques Delors destroyed the European Left’, UnHerd, 1 January 2024, UnHerd.com (accessed August 2024)

(13): For an overview of the impact of the sovereign debt crisis on the EU’s institutional architecture, see Thomas Fazi, The Battle for Europe: How an Elite Hijacked a Continent – and How we Can Take it Back, Pluto, 2014

(14): CEO-TNI, ‘Stop the EU’s antidemocratic austerity policies – for a different Europe’, CEO website, 8 May 2012, corporateeurope.org (accessed August 2024)

(15): Andy Storey, ‘The Myths of Ordoliberalism’, Brave New Europe, 5 December 2017, braveneweurope.com (accessed August 2024)

(16): See, eg, Sophie Jacquot and Cornelia Woll, ‘Usage of European Integration. Europeanisation from a Sociological Perspective’, in European Integration online Papers, Volume 7, Number 12, 2003, pure.mpg.de

(17): Pierre Bocquillon, ‘Setting the European agenda in hard times: the Commission, the European Council and the EU polycrisis’, in Journal of European Integration, Volume 46, Issue 4, 2024, tandfonline.com (accessed August 2024)

(18): Ibid.

(19): Jean-Claude Juncker, ‘A new start for Europe’, statement in the European Parliament’s plenary, 15 July 2014, ec.europa.eu (accessed August 2024)

(20): Ákos Bence Gát, The United States of Europe: The reality behind the narratives, MCC Brussels, April 2024, brussels.mcc.hu (accessed August 2024)

(21): ‘Has Jean Claude Juncker dealt behind the backs of Italian governments with presidents of the Republic?’, Scenari Economici, 25 March 2024, scenarieconomici.it (accessed August 2024) Italy is a good example of how governments can both enjoy mutually supportive as well as very antagonistic relationships with the European institutions, depending on a variety of internal and external factors.

(22): David M. Herszenhorn, ‘Jean-Claude Juncker “tempted” to intervene in Italy’s political crisis’, Politico, 2 June 2018, Politico.eu (accessed August 2024)

(23): Hussein Kassim, ‘The European Commission and the COVID-19 pandemic: a pluri-institutional approach’, in Journal of European Public Policy, Volume 30, Issue 4, 2023, tandfonline.com (accessed August 2024)

(24): See Sebastian Grund and Armin Steinbach, ‘European Union Debt Financing: Leeway and Barriers From a Legal Perspective’, Bruegel Working Paper Series Issue 15, 2023, bruegel.org (accessed August 2024)

(25): Florian Gathmann et al., ‘The Two Women Who Could Transform Europe’, Der Spiegel, 17 June 2020, spiegel.de (accessed August 2024)

(26): Reuters, ‘EU’s von der Leyen delivers veiled warning to Italy’s right wing’, 23 September 2022, reuters.com (accessed August 2024)

(27): European Court of Auditors, Special report on EU COVID-19 vaccine procurement, 2022, europa.eu (accessed August 2024)

(28): Matina Stevis-Gridneff, ‘How Europe Sealed a Pfizer Vaccine Deal With Texts and Calls’, New York Times, 28 April 2021, nytimes.com (accessed August 2024)

(29): European Commission response: asktheeu.org (accessed August 2024)

(30): European Ombudsman, ‘The European Commission’s refusal of public access to text messages exchanged between the Commission President and the CEO of a pharmaceutical company on the purchase of a COVID-19 vaccine’, 12 July 2022, europa.eu (accessed August 2024)

(31): European Commission, ‘Reply of the European Commission to the Recommendation from the European Ombudsman regarding the European Commission’s refusal of public access to text messages exchanged between the Commission President and the CEO of a pharmaceutical company on the purchase of a COVID-19’, info.org (accessed August 2024)

(32): European Public Prosecutor’s Office, ‘Ongoing EPPO investigation into the acquisition of COVID-19 vaccines in the EU’, 14 October 2022, europa.eu (accessed August 2024)

(33): See, eg: Sonja Giese, ‘Left MEPs demand accountability from Von der Leyen’, The Left in the European Parliament, 7 February 2022 left.eu (accessed September 2024)

(34): European Corporate Observatory, ‘EU Ombudsman starts inquiry on opaque handling by Commission of Covid-19 vaccine-contracts’, 22 January 2021, corporateeurope.org (accessed August 2024)

(35): Jillian Deutsch, ‘MEP Canfin to Commission: We need more details on CureVac vaccine contract’, Politico, 12 January 2021, Politico.eu (accessed August 2024)

(36): Quoted in Maxence Peigné, ‘EU unable to cap COVID-19 vaccine prices in secret deals’, Investigate Europe, 23 September 2021, investigate-europe.eue (accessed August 2024)

(37): Matt Apuzzo and Selam Gebrekidan, ‘Governments Sign Secret Vaccine Deals. Here’s What They Hide’, New York Times, 28 January 2021, nytimes.com (accessed August 2024)

(38): The Greens/EFA in the European Parliament, ‘Access to information: Five Greens/EFA MEPs launch legal action on vaccine contract transparency’, 22 April 2022, greens-efa.eu (accessed August 2024)

(39): Foo Yun Chee, Bart H Meijer, 'EU court criticises Commission over handling of COVID vaccine contracts', Reuters, 17 July 2024 www.reuters.com (accessed September 2024)

(40): Francesco Guarascio, ‘COVID-19 vaccine makers see EU shield against side-effect claims’, Reuters, 22 September 2020, reuters.com (accessed August 2024)

(41): See: europa.eu (accessed August 2024)

(42): Donato Paolo Mancini et al., ‘Pfizer and Moderna raise EU Covid vaccine prices’, Financial Times, 1 August 2021, ft.com (accessed August 2024)

(43): Jillian Deutsch, 'Commission’s vaccine contract with AstraZeneca ties EU’s hands on lawsuits', Politico, 19 February 2021 www.politico.eu (accessed September 2024)

(44): Anna Marriott and Alex Maitland, ‘The Great Vaccine Robbery’, The People’s Vaccine, 29 July 2021, webassets (accessed August 2024)

(45): For an overview of the case, see Thomas Fazi, ‘Von der Leyen could still be toppled’, UnHerd, 31 May 2024, UnHerd.com (accessed August 2024)

(46): Ursula von der Leyen, State of the Union Address in the European Parliament’s plenary, 16 September 2020, europa.eu (accessed August 2024)

(47): Calle Håkansson, ‘The Ukraine war and the emergence of the European Commission as a geopolitical actor’, in Journal of European Integration, Volume 46, Issue, 2024, tandfonline.com (accessed August 2024)

(48): Ibid.

(49): Ursula von der Leyen, speech in the European Parliament’s plenary, 27 November 2019, europa.eu (accessed August 2024)

(50): Wolfgang Streeck, ‘The EU at War: After Two Years’, in Society, Volume 61, 2024, springer.com (accessed August 2024)

(51): European Commission, Sanctions adopted following Russia’s military aggression against Ukraine, europa.eu (accessed August 2024)

(52): Suzanne Lynch and Ilya Gridneff, ‘Europe’s American president: The paradox of Ursula von der Leyen’, Politico, 6 October 2022, Politico.eu (accessed August 2024)

(53): Giselle Bosse, ‘Values, rights, and changing interests: The EU’s response to the war against Ukraine and the responsibility to protect Europeans’, in Contemporary Security Policy, Volume 43, Issue 3, 2022, tandfonline.com (accessed August 2024)

(54): Kim B. Olsen, ‘The Domestic Drivers Behind the Geoeconomic Diplomacy of France and Germany’, in The Geoeconomic Diplomacy of European Sanctions, Brill, 2022, brill.com (accessed August 2024)

(55): Ibid.

(56): Suzanne Lynch and Ilya Gridneff, ‘Europe’s American president: The paradox of Ursula von der Leyen’, Politico, 6 October 2022, Politico.eu (accessed August 2024)

(57): David M. Herszenhorn, ‘On sanctions, von der Leyen speaks as Putin’s prosecutor and EU’s wartime leader’, Politico, 4 May 2022, Politico.eu (accessed August 2024)

(58): Wolfgang Streeck, ‘The EU at War: After Two Years’, in Society, Volume 61, 2024, springer.com (accessed August 2024)

(59): Valentina Pop et al., ‘Weaponisation of finance: how the west unleashed “shock and awe” on Russia’, Financial Times, 6 April 2022, ft.com (accessed August 2024)

(60): Calle Håkansson, ‘The Ukraine war and the emergence of the European Commission as a geopolitical actor’, in Journal of European Integration, Volume 46, Issue, 2024, tandfonline.com (accessed August 2024)

(61): Kim B. Olsen, ‘The Domestic Drivers Behind the Geoeconomic Diplomacy of France and Germany’, in The Geoeconomic Diplomacy of European Sanctions, Brill, 2022, brill.com (accessed August 2024)

(62): Ursula von der Leyen, speech in the European Parliament’s plenary, 1 March 2022, europa.eu (accessed August 2024)

(63): Council Decision (EU) 2022/2332 of 28 November 2022 on identifying the violation of Union restrictive measures as an area of crime that meets the criteria specified in Article 83(1) of the Treaty on the Functioning of the European Union, europa.eu (accessed August 2024)

(64): Clara Portela, ‘Sanctions and the Geopolitical Commission: The War over Ukraine and the Transformation of EU Governance’, in European Papers, Volume 8, Number 3, 2023, europeanpapers.eu (accessed August 2024)

(65): Ursula von der Leyen, press statement on the fifth round of sanctions against Russia, 5 April 2022, europa.eu (accessed August 2024)

(66): Ursula von der Leyen, statement on the fourth package of restrictive measures against Russia, 11 March 2022, europa.eu (accessed August 2024)

(67): Clara Portela, ‘Sanctions and the Geopolitical Commission: The War over Ukraine and the Transformation of EU Governance’, in European Papers, Volume 8, Number 3, 2023, europeanpapers.eu (accessed August 2024)

(68): Viktor Orbán, speech at the inauguration of the Bosch Budapest Innovation Campus, 8 September 2022, miniszterelnok.hu (accessed August 2024)

(69): Wolfgang Streeck, The EU at War: After Two Years, 18 July 2024, springer.com (accessed August 2024)

(70): ‘Vladimir Putin spends big – and sends Russia’s economy soaring’, The Economist, 11 August 2024, economist.com (accessed August 2024)

(71): James K. Galbraith, The Gift of Sanctions: An Analysis of Assessments of the Russian Economy, 2022 – 2023, Institute for New Economic Thinking, Working Paper No. 204, 10 April 2023, ineteconomics.org (accessed August 2024)

(72): Alexandra Brzozowski, 'EU proposes three-track approach to secure ammunition for Ukraine, support industry, EUActiv, 2 March 2023 www.euractiv.com (accessed September 2024)

(73): Ursula von der Leyen and Olaf Scholz, ‘Ein Marshallplan für die Ukraine’, Frankfurter Allgemeine Zeitung, 23 October 2022, faz.net (accessed August 2024)

(74): European Commission, Directorate-General for Communication, ‘Two years in, EU continues to stand firmly with Ukraine’, 23 February 2024, europa.eu (accessed August 2024)

(75): Kiel Institute Ukraine Support Tracker, ifw-kiel.de (accessed August 2024)

(76): Jeremy Shapiro and Jana Puglierin, ‘The art of vassalisation: How Russia’s war on Ukraine has transformed transatlantic relations’, European Council on Foreign Relations, 4 April 2023, ecfr.eu (accessed August 2024)

(77): Viktor Orbán, lecture at the 33rd Bálványos Summer Free University and Student Camp, 27 July 2024, miniszterelnok.hu (accessed August 2024)

(78): European Commission, ‘Digital Services Act: Application of the Risk Management Framework to Russian disinformation campaigns’, 2023, op.europa.eu (accessed August 2024)

(79): Virginie Malingre, ‘Von der Leyen fuels EU discontent after closely-watched Israel visit’, Le Monde, 24 October 2023, lemonde.fr (accessed August 2024)

(80): Nicholas Vinocur et al., ‘EU capitals fume at “Queen” von der Leyen’, Politico, 17 October 2023, Politico.eu (accessed August 2024)

(81): Ibid.

(82): Elena Sánchez Nicolás, ‘Michel: we’ve “paid the bill” for von der Leyen’s “geopolitical” commission’, EU Observer, 3 June 2024, euobserver.com (accessed August 2024)

(83): Mark Rhinard, ‘The Crisisification of Policy‐Making in the European Union’, in Journal of Common Market Studies, Volume 57, Issue 3, May 2019, onlinelibrary.wiley.com (accessed August 2024)

(84): Kevin Featherstone, ‘The Political Dynamics of the Vincolo Esterno: The Emergence of EMU and the Challenge to the European Social Model’, Queen’s Papers on Europeanisation No. 6, 2001, researchgate.net (accessed August 2024)

(85): Edgar Grande, ‘Das Paradox der Schwäche: Forschungspolitik und die Einflusslogik europäischer Politikverflechtung’, in Markus Jachtenfuchs and Beate Kohler-Koch (eds), Europäische Integration, Springer, 1997

(86): See Thomas Fazi, ‘How Brussels Bullied Hungary’, Compact, 8 February 2024, compactmag.com (accessed August 2024)

 


Dit stuk werd aanvankelijk gepost in de “Community”-sectie van DeWereldMorgen.be en aldaar met een niet te vatten redactionele willekeur ondeskundig verwijderd eind september 2025.